Een flat in Tasjkent
Nilufar had inderdaad die flat geregeld, in Tasjkent. Ze stonden er alletwee, Sobir en Nilufar, op het vliegveld. Nilufar had die nacht één uur geslapen, ze had zojuist Sobir ontmoet die ze vier jaar geleden voor het laatst had gezien, en nu ontmoette ze mij, die ze ook vier jaar geleden voor het laatst had gezien. Die laatste ontmoeting, van die vier jaar geleden, was in de flat van Maria, waar ik wat mensen voor het eten had uitgenodigd, onder wie Sobir en Nilufar.
We reden naar de door Nilufar geregelde flat, het was nog vroeg. Ik had betrekkelijk weinig cadeautjes bij me, alleen tulpen en Van Gogh. Het werd op prijs gesteld, gelukkig. We liepen naar de universiteit waar we elkaar vijf jaar geleden hadden leren kennen, en we wezen elkaar op de ramen van de flat die destijds ons onderkomen was geweest. Drie ramen. De dormitory werd nu gerestaureerd, dat was hard nodig. De universiteit was omringd door hekken, waar je op zondag niet door kon. Vroeger was dat niet zo.
De volgende dagen kwam Sobir 's ochtends naar onze flat, of we spraken ergens af, in een metrostation. Bij zo'n afspraak waren Nilufar en ik meestal te laat, zo gaat dat. Dan gingen we ergens heen, we liepen, zo nu en dan werd er een onwelgevallig biertje gedronken, maar vaak ook niet. Aan het eind van de dag werd er gekookt, door Nilufar meestal, een keer door Sobir. En thee, liters thee. Daarna ging Sobir weg, en Nilufar en ik zaten dan nog na te praten. Dat zoeken naar huwelijkspartners begon een onplezierige rode draad in haar leven te worden.
Er was nog de Franse ambassade, en er waren de bergen. Nilufar wil graag naar Nederland komen, en die Franse ambassade was nodig omdat omdat er daar geen Nederlandse is. Ze laten visumaanvragers buiten op de trap wachten. Ik wilde het wel eens zien, en hoopte dat mijn aanwezigheid een geruststellende uitwerking op die mensen van de aanvraag zou hebben. Sinds "Schengen" word je door Fransen vertegenwoordigd! De meegebrachte documenten bleken te voldoen, ze werden althans goedgekeurd.
De bergen, dat was Chimgan. Ik was er niet helemaal gerust op toen we in de loop van de middag er naartoe reden. We, dat waren Nilufar en ik, en een met Nilufar bevriende Oezbeekse chauffeur. Ik hoopte dat mijn vrienden de Russen niet al te dronken zouden zijn, maar dat waren ze wel. Irkin was jarig, zodoende. Hij was erg blij me weer te zien, Sascha ook trouwens. Ik zat ongemakkelijk op de plek die me vijf jaar geleden nog zo paradijselijk was voorgekomen, buiten. De Russen waren dronken en wilden met ons drinken, maar onze gelovige chauffeur voelde zich niet op zijn gemak, eufemistisch gezegd. We konden niet blijven, dat was duidelijk, en ik verontschuldigde me voor ons korte verblijf. "Zo zijn onze mensen niet", zei Nilufar, nadat ze gezien had dat Irkin, de Kazach, betaling voor wat dan ook weigerde. We reden terug. Het werd een halve dodenrit door de nacht, ik moest onderweg de auto uit om ergens in de verte, waar licht brandde, de weg te vragen. Jammer van de bergen.
Ik ging toch naar Thailand, dat was nou eenmaal geboekt, maar ik kwam weer terug, nu met wat meer cadeautjes. Nog een etmaal in Tasjkent, ik had ernaar uitgekeken. Het was met name vertrouwd, een vreemde gewaarwording, zo'n gevoel te hebben op zo'n afgelegen plaats.
© Jan de Zeeuw, 9-6-2000
[meer autobio] [voorgeschiedenis] [reisverslag: Tasjkent-Bangkok] [vorige] [volgende]