Ikaria

De behoefte om een tijdje geen mensen om me heen te hebben, groeide. Ik pakte de atlas erbij. Van de Griekse eilanden leek Ikaria me om de een of andere reden heel aantrekkelijk. Rotsachtig en ruig, stelde ik me voor, en vooral lekker rustig. Daar kon ik misschien een opkomende gedachte eens tijd en vrijheid geven. Onder een olijfboom, met overal de zee. Ikaria dankt haar naam aan Ikarus, de onfortuinlijke vlieger. Ik nam een week vrij en boekte een vlucht naar Athene.

Op de luchthaven van Athene arriveerde ik in het holst van de nacht. Ergens in de stad wist een zekere Kostas, hoteleigenaar, dat ik ook bij hem nog zou arriveren. De taxichauffeur die me erheen bracht, was een fan van Rory Gallagher. We zaten tot wederzijds genoegen het uur dat de rit duurde met elkaar te praten. In het hotel werd ik vriendelijk begroet en kreeg ik een ruime kamer toegewezen. Daar kon ik op het bed gaan zitten, een blikje koud bier openmaken en me gelukkig voelen. Toen viel ik in een diepe slaap, die lang zou duren.

Vanaf Piraeus, de haven, vertrokken de boten naar de eilanden. Dat wist ik. Ik stelde me honderden boten voor, wachtend op vertrek naar honderden eilanden. Ik vroeg Kostas hoe ik bij de haven moest komen. Dat was niet zo moeilijk, gewoon met de metro. De haven was iets minder groot dan in mijn voorstelling. Op de eerste grote veerboot die ik er zag liggen, bleek ik me een paar uur later te moeten inschepen. Alsof ik een doel had. Ik had in elk geval een kaartje, naar Ikaria!

Toen we aanmeerden bij Ikaria lag ik te slapen. Ik sliep nog steeds toen de boot weer vertrok. Wakker geworden, bedacht ik dat een wekker soms zo gek nog niet is. Bij het ochtendgloren ontwaarde ik het volgende eiland, Samos. Toevallig kwam ik daar te ontbijten met vier Japanners, die later Chinezen uit Hongkong bleken te zijn. Ze waren nogal slim en heel plezierig. We hadden veel te verhalen, allemaal, en natuurlijk ook veel te vragen. We namen daarom ruim de tijd voor het ontbijt.

Je krijgt de indruk dat mensen wereldwijd steeds normaler worden. Of dat bepaalde normen steeds universeler worden. Een kwestie van TV, internet in internationale contacten. Minder cultureel bepaald, gelijkvormiger, nog een extra taal sprekend, toleranter. Ja, dat interessante reizen is over een tijdje afgelopen. Zelfs de dolfijnen met wie we zwemmen houden dan van dezelfde muziek als wij.

Opnieuw kocht ik een ticket naar Ikaria. Het bootje voer in het begin van de middag de haven uit. De Turkse kust was vlak bij en duidelijk te zien. De Turken zijn in territoriaal opzicht wel onderbedeeld, in 1912. Ik kon me de Turkse frustraties hierover voorstellen. Maar er wonen en woonden wel Grieken op die eilanden, en daar gaat het om. Gelukkig hoort dit bij Europa, dacht ik, om me heen kijkend. Het schuitje, met ongeveer tien betalende passagiers aan boord, was op weg naar een minder courante bestemming op Ikaria. Ik kreeg het warme gevoel exclusiviteit te genieten zonder miljonair te hoeven zijn. We naderden Ikaria. Rotsachtig en ruig, inderdaad.

Bij een vrouw huur ik een kamertje. Ik pas me snel aan bij het lome tempo van het dorpje. Het is aangenaam warm. Ik hoor vaag TV-geluid en geroezemoes op de achtergrond, met zo nu en dan een bevelende schreeuw erdoorheen. Voor me strekt de zee zich uit, met alle schakeringen groen en blauw. Vlakbij ligt het ontoegankelijke eiland Fournoi, omringd door kleine rotseilandjes. Je zou zo'n eilandje willen kopen om het lichtgroen te kunnen verven. Boven Fournoi doet de thermiek een wolkenformatie ontstaan die precies de omtrekken van het eiland weergeeft. Een luchtspiegeling, maar dan echt. Omkijkend zie ik dat hetzelfde verschijnsel zich boven Ikaria voordoet. Ik heb nog nooit zo snel wolken zomaar boven zee zien verdwijnen.

Ik sta vroeg op voor een wandeling. Ikaria is een uit de zee oprijzende bergrug van ruim duizend meter hoog. Boven de zevenhonderd meter is alles woest en ledig. Daarbeneden geurt de maquis, het bloeiende struikgewas. Oleander, wilde thijm, cactussen met zowel gele als oranje bloemen, klaprozen en verontrustend grote distels. En veel brem. Ooit huisden hier struikrovers die met hun met ijzer beslagen knotsen passerende reizigers lastigvielen. Maar nu niet meer, denk ik genietend, terwijl ik almaar stijgend een steeds mooier uitzicht krijg. Een uit het niets komende en vervaarlijk blaffende hond, een Duitse herder, doet me beseffen dat ik nog gewoon op aarde ben. Het beest laat het gelukkig bij veel herrie maken. Na uren lopen kom ik weer op een plek waar mensen wonen. Niet zo veel, trouwens. Ik neem plaats bij een uitspanning, de keuken is nog niet open. Evengoed begeeft de gastvrouw zich naar binnen om een eenvoudig gerecht voor me te bereiden. Ik ben nauwelijks vermoeid geraakt, merk ik tot m'n verbazing.
Het dorp waar ik een kamer heb is erg klein. Voor een verkenning heb je niet meer dan een uur nodig. Automatismen dringen zich aan me op. Ik moet hier weg, want ik heb het wel gezien, denk ik. Ik informeer naar de overtocht naar Patmos. Die gaat niet door, want de boot is kapot. Dan maar een auto huren om het eiland rond te rijden. Mijn rijbewijs blijkt nog thuis te liggen, als ik al bijna heb afgerekend. Dus blijf ik waar ik ben, in Aghios Kirios. Binnen een kwartier heb ik me daarmee niet alleen verzoend, maar ben ik blij dat allerlei voorgenomen maar zinloze verplaatsingen niet door zijn gegaan. Inmiddels heb ik me ook weer herinnerd dat aanspraak vaker afbreuk doet aan je goede humeur dan dat het daaraan bijdraagt. Waarvoor was ik nou naar dit eiland gekomen?

Op de terrasjes zitten voornamelijk Grieken. Een enkele Italiaan, wat Canadezen. Een excentriek uitziende man van een jaar of zestig met een enorme snor is in gesprek met twee Grieken. Intussen krijg ik een glas ouzo met water voorgezet, en wat inktvis. Het gesprek met de Grieken stokt en de man wendt zich tot mij. "Where are you from?", vraagt hij. Krijgen we dat weer, denk ik, maar geef niettemin antwoord. Hij gaat verder in het Vlaams. De man mist een vinger, zie ik nu. Hij wil in het Guinness Book of Records terechtkomen door in Europa al wandelend elk dorp en elke stad te hebben bezocht. Maar veel zinnigs heeft hij niet te zeggen, iets wat je wel vaker tegenkomt bij bereisde stempeltjesverzamelaars. Zijn bagage is in Athene gestolen door een stel Albanezen, zegt hij. Daarbij zat ook zijn dagboek. "Bent u wel eens door honden gebeten, onderweg?", vraag ik. Twee keer, op Kreta, door herdershonden.

Ik herlees de Griekse mythologie, uit het prachtboek van Gustav Schwab. En ik lees nog wat meer, maar niet zo veel. De mooiste plek om dat te doen is op een vlak plateau aan het water, dat is uitgespaard in het gebergte. Een overhangende rots zorgt ervoor dat ik de hele dag kan kiezen tussen zon en schaduw. In mijn rugzakje zitten een paar blikjes ijskoud bier. Er is geen mens te zien. Je hoort alleen de zee.

Na een paar dagen wordt het helaas tijd om aan terugkeren te denken. Eens in de week vertrekt vanaf hier een boot naar Piraeus. Juist op het goede moment, anders had ik met een propellorvliegtuigje naar Athene teruggemoeten. Het begint donker te worden, ik zie de grote boot naderen. Ik reken af, zeg een paar mensen gedag, en ga aan boord.

Ik lag heerlijk te slapen toen we Piraeus naderden. Daar stond ik even later weer op de kade. Het was vroeg in de ochtend, het beloofde een warme dag te worden. Mijn niet al te omvangrijke reistas bracht ik bij Kostas, wiens hotel ik na enig zoeken terugvond. Licht van lijf en leden kon ik nog een dag in het centrum van Athene doorbrengen. Op doorreis. WK-voetbal, er werden vandaag nog twee groepswedstrijden gespeeld, maar nergens stond de TV aan. Overal zaten toeristen buiten te eten. Griekse restauranthouders waren wervend bezig, maar nooit opdringerig. Toen ik ergens een scherm met daarop voetbal ontwaarde, aarzelde ik niet lang. De Akropolis had ik al eens gezien, Portugal-Zuid Korea nog nooit. Ik was een van de weinige toeschouwers. De Albanese serveerster, druk bezig, wierp een blik op de wedstrijd zo vaak ze kon. Ze hield erg van voerbal, zei ze. Alle hapjes waren van het huis, de laatste ouzo ook.

Na de wedstrijd slenterde ik verder door dat etensstraatje met inviterende horecamensen. De lunchtijd was al bijna voorbij. Een vrouw van een jaar of zeventig met lang vettig haar trad me tegemoet. Ze was gekleed in een donkerrode jurk die haar knieŽn niet bedekte, en ze droeg witte gympen zonder veters. Of ik een handtekening wilde zetten. Waarvoor, of waartegen? De "Elgin-marbles" moesten terug naar Griekenland. Ik kende het verhaal. Lord Elgin, een Britse archeoloog, had die beelden uit de fries van het Parthenon ooit gekocht van de toenmalige Turkse machthebbers en naar Londen verscheept. Daar waren ze nu nog, in het British Museum. De Engelsen hebben er vast beter voor gezorgd dan de Grieken ooit gedaan zouden hebben, dacht ik. En die dingen maken na al die jaren inmiddels ook deel uit van de Engelse geschiedenis, zei ik. Deze subtiliteiten waren niet aan haar besteed. Was ik soms uit op een handelsoorlog? Wist ik wel dat haar kleindochters Hollandse melk dronken? En dat ze de marktmeester hier persoonlijk kende? Ze hoefde maar te kikken en er zou op die hele markt geen Hollandse melk meer te krijgen zijn! Of ik alsjeblieft niet de vriendschap tussen deze twee volkeren op het spel wilde zetten! "I like Greek people", bracht ik naar waarheid te berde. "Yes, Greek people democratic people!", riep ze uit. "Very nice heart!" We zeiden elkaar toch nog vriendelijk gedag, hoewel ik geen handtekening had gezet. Vrijwel alle toeristen tekenden glimlachend, zag ik nog. Glimlachen, dat deed ik ook.

Ik haalde m'n tas op. Hier en daar reden toeterende auto's met een grote Koreaanse vlag uit raam of dak. Een bus bracht me naar het vliegveld. M'n week retraÓte zat erop. Diepe inzichten had het geloof ik niet opgeleverd. Maar dat vond ik niet erg.

© Jan de Zeeuw, 12 juli 2002

[meer reisverhalen]