Tasjkent-Bangkok


De reis zou bestaan uit vijf vluchten, vijf momenten net na de start, waarschijnlijk, waarop ik onvermijdelijk zou denken: 'het lijkt erop dat het allemaal goed gaat'. Eerst vloog ik naar Parijs, toen naar Tasjkent. Daar was het alweer de volgende ochtend, Sobir en Nilufar stonden te wachten, er stond een auto klaar, er was een flat in gereedheid gebracht, en ik kon douchen. We brachten de dag met z'n drieën door, lopend door Tasjkent, en toen ik in bed lag was ik bijna gelukkig.

Wakker worden in mei in een flat in Tasjkent, in de speciaal voor jou in orde gebrachte kamer, terwijl flarden Yulduz en de warmte van de nieuwe dag van buiten doordringen - het is toch wel uniek, dacht ik, terwijl ik daar lag. M'n gastvrouw verbleef in een andere kamer, maar wel in hetzelfde huis, wat ongewijfeld tot islamitische verbazing en roddel zou leiden. Het is niet zo dat ik een "echte reiziger" dacht te zijn, maar ik moest wel denken aan de paspoortcontrole op het vliegveld, gisteren. Daar had ik me een tikje superieur gevoeld toen ik het zenuwachtige gedoe van een reisgezelschap, oudere landgenoten, stond te bekijken. Je wordt blijkbaar toch een beetje blasé, als je iets al eens eerder hebt meegemaakt.

De stad is wel veranderd, de laatste vier jaar. Er wordt vooruitgelopen op toekomstige welvaart, er is een businesscentrum, hotel Uzbekistan, zo'n klassiek en veel te duur sovjethotel, is inmiddels een lachertje vergeleken met Intercontinental. De al jaren stilliggende bouw aan de derde metrolijn is eindelijk onvervaard ter hand genomen, en de Lada vormt in het verkeersbeeld nog slechts een kleine meerderheid. Oude regeringsgebouwen zijn vervangen door nieuwe, er is een splinternieuw parlementsgebouw, en een al even nieuw Nationaal Museum. Cyrillisch schrift wordt schaars, en de laatste Lenins zijn nu ook verdwenen.

De winkeltjes in de metro bij Hotel Tashkent zijn er ook niet meer. Weggehaald op last van hogerhand, vertelde Sobir, na de bomaanslag van vorig jaar wil men geen enkel risico meer nemen. Het theater tegenover dat hotel, waar ik vijf jaar geleden mijn eerste twee hallucinerende nachten doorbracht in de stad, is gebouwd door Japanse krijgsgevangenen, ook dat vertelde Sobir. Het is goed gebouwd, want het heeft de aardbeving van 1966 doorstaan. Later op deze reis zou ik met plezier terugdenken aan deze dwangarbeid door Japanners.

Vijf dagen hebben we door Tasjkent gelopen, dat museum bezocht, op paarden en in botsautootjes gezeten. Er waren flink wat "terrasjes" bijgekomen. Je vraagt je af of het ooit goed zal gaan tussen Russen en Oezbeken. Een glas sinas met een klein vliegje erin werd resoluut teruggestuurd door Nilufar, opnieuw een flinke wandeling voor de Russische ober. Er zit veel onderhuids venijn. Het zou goed zijn als de oude kolonisator zijn rol zou erkennen. Schaf de politiestaat af, voer anarchie in onder de naam democratie, doe er een paar volksmenners bij, en Oezbekistan is opeens geen land meer waar je naar toe zou willen. Nu zit je als toerist hooguit een uur per week op een politiebureau, wat de pret niet mag drukken.

Op donderdagavond brachten Sobir en Nilufar me weg naar het vliegveld. Voor het eerst naar de tropen! Ik zag Tasjkent bij heldere avond vanuit de lucht. Niet veel later arriveerde ik in het land van de glimlachende mensen, al duurde het even voordat ik dat inzag. Ik had wel geslapen, maar niet zo lang. Bangkok bij ochtend, ik was blij een camer met airko te vinden om half zeven. Eerst ging ik nog op verkenning uit, toen stortte ik volledig in. Slapen, slapen.

Wat een stad. Geen gezeur met dierenambulances en homohuwelijken, gewoon lekker wolkenkrabbers bouwen. En heel veel moois & lekkers daar tussendoor, al kost dat wel een heleboel zweet. Na nog een dag tempels en tuk-tuks vond ik het tijd om weg te gaan. Een tuk-tuk noemen ze in Nepal een tempo, het is een gemotoriseerde driewieler. Denk niet dat de eigenaren slechtere chauffeurs dan de bestuurders van de meter-taxi's. Toen ik naar het station wilde, dinsdag heel vroeg, van waar de trein richting Birma zou vertrekken, zag ik gelukkig bijtijds dat ik op het verkeerde station dreigde te worden afgezet door zo'n meter-taxi. Wat zijn stations trouwens prachtige publieke plaatsen! En wat is het heerlijk om nog maar net de trein te halen die je in gedachten had. Alsof je een doel hebt.

De Birma-spoorlijn, dat was een soort doel. Ik dacht nog: 'niet die brug missen', bang als ik was om in een sluimer ongemerkt die historische plek de rivier over te steken, maar ik was klaar wakker toen de trein er overheen reed. Het eindpunt, in Thailand nog steeds, was niet een plek om lang te willen blijven. Ik verdwaalde en werd door een jongen op een brommer bij een bushalte gebracht. Ik stapte op goed geluk in, en de bus bracht me toevallig naar de stad waar ik zijn wilde - althans, zo kwam het me voor. In Kanchanaburi kon ik die brug nog eens rustig van dichtbij bekijken, en ook dat kerkhof, en een museum. Ik huurde er een fiets voor. Mijn kamer lag op een vlot in de rivier, waarin soms heftige bewegingen van kleine dieren konden worden waargenomen. Het was niet duidelijk of die elkaar aan het vermoorden waren, of dat ze de liefde bedreven.

In de trein had ik de kampervaringen van A. Alberts gelezen, "Een kolonie is ook maar een mens". Alberts was alleen maar geïnterneerd geweest, die had gewoon drieënhalf jaar tegen de honger gevochten, en tegen nog wat vervelende ziektes. Maar die krijgsgevangenen, dat was andere koek. Je zou bijna een hekel aan Japanners krijgen. Dat overkwam me inderdaad, toen ik zag hoe ze zich ook nog eens pontificaal lieten fotograferen met brug en trein op de achtergrond, door hun vrouw, die wandelaars ongeduldig wegwenkte als die zich tussen de camera en de te fotograferen echtgenoot bevonden. M'n vader heeft geluk gehad dat hij niet een paar jaar eerder is geboren. Dat waren de meeste Hollanders op de begraafplaats daar. In plaats daarvan heeft hij verplicht aan die politionele acties meegedaan.

Het was ook erg leuk, in Kanchanaburi. Ik kwam Régine en Didier tegen, en nog een zooitje Fransen. We moesten nogal om elkaars verhalen lachen, en om de dingen die we zagen. Serge Gensbourg rencontre Whitney Houston, bijvoorbeeld, of de bordjes "eco-tourism", om Angelsaksische toeristen te verleiden. Er was wel wat toerisme, overdag voeren er disco-boten over de rivier, met dansende silhouetten erop, en muziek die onze meiden eveneens tot dansen aanzette. Je kon je ook laten fijnknijpen door Thaise masseurs, of met leuke westerse stelletjes op huwelijksreis converseren nadat je had uitgelegd dat je geen sextoerist was. Gedrieën reisden R., D. en ik terug naar Bangkok, waar we afscheid namen.

In Bangkok kocht ik cadeautjes, at ik op straat en trof ik mijn achtergelaten bagage in goede orde aan, in dat hotelletje. Bangkok verlaten is altijd goed, zeker als je naar Tasjkent gaat. Het vliegtuig was bijna leeg, het was een vreemde reis. Ik was te vroeg in Tasjkent, er stond nog niemand op me te wachten. Na ruim een half uur zag ik Sobir aankomen. Nilufar had heerlijk gekookt, pilmenja, maar het was wel weer erg veel. We roeiden over een plas, met een strandje, en we liepen over Broadway, zoals dat daar heet, met wonderbaarlijke optredens van straatartiesten. 's Nachts werd Nilufar erg ziek, en na uren nam Sobir, die ik ongerust uit zijn bed had gebeld, de zorg van me over.

Weer zag ik Tasjkent vanuit de lucht, nu bij dag. Ik zag het meertje waar we geroeid hadden. De vijfde en laatste vlucht van deze reis bracht me precies boven een van de twee rivieren die vroeger het Aralmeer voedde, maar die het nu moeilijk had. Irrigatikanalen zuigen de rivier leeg, je ziet het precies. Honderden kilometers gaat dat zo door, midden in de Kazachse woestijn. Het meer zelf is in tweeën gebroken. Toen ik dat gezien had, viel ik in slaap.

(c) Jan de Zeeuw, 2000

[meer foto's] [flat in Tasjkent] ["blasé"] [Tashkent-Bangkok (Engels)] [volgend bezoek] [meer reisverhalen]