Istanbul
Ik werd in Haarlem gedetacheerd, bij MSD. Daar ontmoette ik Marc. Als rokers werden we in één kamer opgesloten, "company policy". Er ontwikkelde zich een patroon: 's ochtends alleen maar gedeelde passies, en 's middags zwoegen tegen het eerder op de tijd genomen voorschot. Laten we naar Petersburg gaan, stelde Marc na een week of zes voor.
Marc was een Londenaar, hevig in taal geïnteresseerd, in alles onmatig. Op z'n Brits wist hij wat de wereld van hem wou en daar voldeed hij noodgedwongen aan - zij het dat hij regelmatig "over the top" ging. Een leven vol drank, en excuses de andere morgen. Het werd uiteindelijk Istanbul.
Jeltsinki was niet meer bij ons weg te slaan, hij kende badhuizen, restaurants en wat al niet. Jan Maarten beviel het allemaal wat minder, maar Marc en ik vonden het wel mooi, elke dag een ander badhuis en een ander restaurant. Jeltsin had zodoende kost en inwoning. Toen Marc en ik ergens met hem zaten te eten bleek hij bovendien een Russische vriendin te hebben, en die kostte geld, dat was logisch. Marc, die als hij gedronken had een gedreven prediker was, werd nijdig. Natuurlijk, hij had naar Petersburg gewild vanwege Oxana, de Russin wier hand hij in een vliegtuig naar Londen had mogen vasthouden. Vergeleken daarbij was dit wel erg profaan, dus hij schold Jeltsin de huid vol, zoals Jezus tegen die handelaren in de tempel moet zijn tekeer gegaan. Het was net na het eten. Marc smeet geld voor Jeltsin op tafel, die een minuut later weg was. Marc was die ochtend flink begonnen met innemen, en begon zich na zijn preek van zoëven één te voelen met de hoeren en de tollenaars. Hij bestelde een taxi.
We gingen naar een nachtclub in het Aziatische gedeelte van de stad. Er kwam een meisje naast me zitten, ze kwam uit de Oekraïne. Er volgde een plezierig gesprek dat vijf minuten duurde. Toen stonden er ineens drie mannen aan onze tafel die met ons af wilden rekenen. Ik zat met iemand te praten, dus het moment kwam me ongelegen en ik vroeg vriendelijk of ze later terug wilden komen. Ik wendde me weer tot mijn gesprekspartner, maar die had alleen maar oog voor die stevige Turken aan ons tafeltje, en zei angstig dat ik moest betalen. Ik bekeek de rekening, die nogal hoog was, en toen de incasseerders, die inmiddels met zijn vijven waren. Ik begon er genoeg van te krijgen. Ze maken hier mensen bang en vragen zeshonderd gulden voor vier drankjes! Breng ons maar bij je baas, zei ik tegen die onplezierige figuren. Nou, dat kon. In een kantoortje zat de baas van de nachtclub, een pad die je elk moment met een paarse straal vloeistof uit zn bek kon treffen. Ik stond net te vertellen dat ik nooit champagne had besteld toen Marc zn geduld verloor. Het werd een beetje link, want Marc beledigde het Turkse volk tot in het vierde geslacht, vol vuur, en ze wilden hem echt te lijf gaan, die griezels. Ik werd kwaad en riep dat ze met hun poten van hem af moesten blijven, slaagde erin Marc te kalmeren en wilde de politie bellen, want zelfs dat leek me beter dan dit. Toen werden we op straat gegooid.
En ook uit het volgende etablissement werden we hardhandig verwijderd. Marc was door het dolle heen. Hij wilde naar Sofia, hij wilde hier weg. Hij ging een taxi halen. De chauffeur vertelde even later desgevraagd dat hij ons naar Sofia ging brengen.
Toen ik de andere dag wakker werd zag ik Marc naast me liggen. Hij lag er nogal schaamteloos bij. Een bijbels tafereel drong zich op, alweer. Ik kon me niet voorstellen dat we in Sofia waren. Toen werd ik gebeld door de receptie. Jeltsin zat beneden weer eens op me te wachten. Rob en Jan Maarten bleken er ook te zijn, gelukkig.
We waren niet in Sofia. We hadden nog een dag te gaan. Jeltsin zou me persoonlijk laten zien wat ik wilde. Jeltsin had in Ankara gestudeerd, hij had in Istanbul gestudeerd, hij sprak vijf talen vloeiend, hij kon me naar de meisjes brengen, ik mocht hem ook, als ik wilde, gokken, alles kon, zei hij. Vreemd genoeg wilde ik naar de Universiteitsbibliotheek van Istanbul. Hij heeft me er inderdaad gebracht, maar hij moest wel erg vaak de weg vragen. Het universiteitsterrein, de UB, de mensen, het kwam me voor als een oase. Ineens zag ik die Jeltsin weer staan. Hij paste hier niet. Hij stonk naar zweet. Hij droeg mijn trui. Ik kocht voor hem wat hij wou, later die dag, maar alles scheen bezoedeld. Ik vroeg mn trui terug en stuurde hem weg.
We hadden ons laatste maal in Istanbul. We hadden allemaal in korte tijd veel meegemaakt, en we konden er zowaar met elkaar over praten.
De andere dag werd door Marc ingezet met vijf gin. Op het vliegveld zag ik hem met een fles champagne aan zijn mond. Het was nog geen middag. In het vliegtuig viel hij een Hollands meisje lastig. Eenmaal Oxana betekent nog niet elke vliegreis iets moois. Het meisje kwam zich bij mij beklagen toen Marc zijn roes uitsliep: wat heb jij voor vrienden!
Toen we elkaar weer troffen op het werk: zei hij: it was quite vivid, met een grijns. En toen: lets have a fag.
© Jan de Zeeuw, 1999