In de wachtkamer van Nederland
Bajiro Insirovic (31), zijn vrouw Merija en hun vijf kinderen wonen op een ruime kamer in asielzoekerscentrum Crailoo, nabij Bussum. Het gezin wacht een definitieve uitspraak af. Reportage van Daimon Xanthopoulos en Jan de Zeeuw.
Vreemdelingen in Nederland
"Bij het maken van wetten is strengheid nodig, bij het uitvoeren ervan genade."
"Als je vindt dat de gevolgen van de regels die je hebt uitgevaardigd, onrechtvaardig zijn, dan meen ik dat je de moed moet hebben om die regels ter discussie te stellen."
Beide uitspraken zijn afkomstig van Boris Dittrich, politiek leider van D66.
Veel Europese landen stellen zich hard op tegen immigranten, maar het beleid is tenminste duidelijk. Nederland was onbetwist de zachte heelmeester van Europa. En is dat, ondanks de LPF in de regering, eigenlijk nog steeds. Een heelmeester met een volle wachtkamer.
Uitgangspunten van asielbeleid en uitvoering van regels zijn soms regelrecht met elkaar in tegenspraak. Het schrijnendst is dat een van de uitgangspunten, een humane opvang van asielzoekers, door de uitvoerders van de regels vaak niet in praktijk kan worden gebracht. Het meest ontluisterende wat je mensen aan kunt doen is hen jarenlang te laten wachten. Jarenlange onzekerheid verlamt je, dat ontneemt je je vechtlust. Je wordt er ziek van.
Crailoo
Niks bijzonders, twee Surinaamse meisjes, denk je meteen. Maar deze meisjes komen natuurlijk niet uit Suriname, en hun ouders evenmin. Hun ouders zijn het stadium van gepassioneerde discussies, in welke taal dan ook, waarschijnlijk wel al gepasseerd. Bijna alle volwassenen hier maken een afwachtende, apathische indruk.
Op het terrein zijn veel voorzieningen. Er is een school, een winkel, een wasserette, een bibliotheek, een sportveld. Op school mogen de kinderen uitsluitend Nederlands spreken. Het is een divers etnisch gezelschap, die klassen vol schoolkinderen. Soms kondigt de juf aan dat ze afscheid moeten nemen van een klasgenootje. Zefja (9): "Dan maken we iets moois voor hem. En daar schrijven we dan allemaal onze naam op". De meeste kinderen komen zelden buiten het kamp. Ze gaan niet naar hockeytraining, muziekles of jazzballet. Niet alle kinderen in Nederland hebben het druk.
In het kamp woonden nog niet zo lang geleden veertienhonderd vluchtelingen. Nu zijn het er nog zeshonderd. Zij wonen in kamers in rijtjeshuizen die twee verdiepingen hoog zijn. De mensen die inmiddels vertrokken zijn (naar een ander opvangcentrum, "met onbekende bestemming", uitgezet) woonden in caravans. De caravans staan in lange rijen te wachten tot ze worden weggehaald. Twee van de vierhonderd worden nog bewoond. Dit was ooit een gemeenschap van mensen. Overal zie je wat ze hebben achtergelaten: stukjes van een kinderpuzzel, schoenen die niet eens helemaal versleten zijn, een matras, een magazine met de foto van iemand die meer succes in het leven heeft gehad dan degene die het blad gelezen heeft. Een medewerker is bezig om de rommel op te ruimen. Hij zegt: "De ergste rotzooi vind je in caravans die bewoond werden door mannen van verschillende culturen. Alles is daar vet en vies".
Langs de rijen caravans staat om de zoveel meter een brandmelder, een vuilniscontainer. Allemaal precies door iemand uitgerekend, die meters.
Het terrein ligt vlak naast een kazerne. Dat valt pas op als een drietonner in camouflagekleuren voor de slagboom van het asielzoekerterrein halt houdt. Later wordt duidelijk dat hier ook regelmatig schietoefeningen worden gehouden. Een kampbewoner uit Bosnië: "Nee, ik heb geen last van het geluid van schoten. Dat ben ik wel gewend." In Nederland zijn veel dingen goed geregeld, maar soms wordt er even niet goed nagedacht. Of hebben we hier te maken met een vorm van schijnbare gastvrijheid?
Bajiro Insirovic
Na een jaar of twee waren etnische Kroaten en Serviërs in het Bosnische gebied uitgeraasd. Op een manier waarvan de aanblik ons grotendeels bespaard is gebleven, hadden ze "hun" gebieden gezuiverd van vreemde smetten. Eind 1995 besloot Bajiro het erop te wagen: hij keerde vrijwillig terug naar Bratunac, een gehucht op twaalf kilometer afstand van Srebrenica. Zijn gezin was inmiddels uitgebreid met een dochtertje. Hun huis, dat hij zelf had gebouwd, bleek bewoond door een Servische familie. Deze familie was niet van plan het huis te verlaten. De politie, bestaande uit Serviërs, hoorde Bajiro's klachten aan. De agenten reageerden met grof geweld, een omgangsvorm die inmiddels gemeengoed was geworden. Ook in omringende dorpen werden hij en zijn gezin weggehoond en letterlijk weggeschopt. "Roma's horen hier niet", gaven de Serviërs hem te verstaan.
Bajiro besloot naar familie in Berlijn te reizen. Hier vroeg hij asiel aan. Het gezin leefde enige tijd in Berlijn. Er werden nog drie kinderen geboren. Toen begon Duitsland met het terugsturen van Bosniërs. De oorlog was tenslotte voorbij. Bajiro werd op het vliegtuig naar de hoofdstad van Bosnië, Sarajevo, gezet. Zijn vrouw en zijn kinderen mochten in Berlijn blijven tot hij een onderkomen had geregeld.
Wat hem in Sarajevo is overkomen, achtervolgt hem nog dagelijks. Hij werd op straat aangehouden door de politie. Hij verzette zich niet, maar vroeg wat hij het beste kon doen. Een van de agenten pakte zijn pistool en sloeg hem met de kolf enige malen op het achterhoofd. Het gebeurde allemaal overdag op straat, iedereen kon het zien. Bajiro verloor het bewustzijn en kwam weer bij kennis in een kelder. Een jonge agent gaf hem een handdoek om de nog steeds bloedende hoofdwond te stelpen. Verder waren er op dat moment geen mensen aanwezig. De agent zei: "Waarschijnlijk word je vanavond vermoord." Bajiro smeekte: "Ik heb wat geld, help me alsjeblieft." Waarop de jonge agent antwoordde: "Van mij hoef je niet dood, en ik hoef ook je geld niet. Ik ga straks weg, maar ik zal de deur niet afsluiten".
Bajiro knoopte de handdoek om zijn hoofd toen de agent vertrokken was. Hij verliet de kelder en zette het op een lopen. Agenten kwamen achter hem aan, maar zijn voorsprong was al te groot. Hij verschool zich in een park. Op een terrasje in dat park vroeg hij een paar mensen om hulp. De aangesprokenen raapten takken op en begonnen hem te slaan. Bajiro vluchtte weg. Hij werd opgemerkt door andere Roma in een busje. Samen met hen reisde hij naar Tuzla.
In Tuzla kon hij niet blijven. De Islamitische Bosniërs daar kijken net zozeer neer op Roma als Serviërs en Kroaten dat doen. Hij was illegaal en werd voortdurend beschimpt, evenals trouwens zijn redders. Illegaal, dat was hij ook toen hij arriveerde in Kroatië en later in Slovenië, landen waar elementaire opvang van de medemens geen hoge prioriteit heeft. Improviserend en met de blik op oneindig reisde hij toen door naar Italië. Terug naar Duitsland durfde hij niet meer. Niet iedere Europeaan reist voor zijn plezier.
Bajiro nam de trein naar Nederland. Zo arriveerde hij hier voor de tweede maal, noodgedwongen. Hij verbleef bij zijn zuster in Dordrecht, en liet zijn gezin uit Berlijn overkomen. Opnieuw vroeg hij asiel aan, maar volgens de regels was hij een "Dublin-claimant": je hebt geen recht op asiel in Nederland als er in een ander land nog een aanvraag loopt. Bij zijn zuster kon hij niet blijven. Zij was klein behuisd en had zeven kinderen. Werken als illegaal was hier inmiddels vrijwel onmogelijk gemaakt, ontdekte Bajiro. Voor het gezin Insirovic volgde een zwervend bestaan van een half jaar. Bajiro en zijn zwangere vrouw Merija bedelden het hoogst noodzakelijke bij elkaar. Merija kreeg buiten in een parkje in Eindhoven, waar het gezin overnachtte, in het holst van de nacht een miskraam.
Momenteel is de status van Bajiro Insirovic onduidelijk. Via via is het gezin weer in Crailoo terechtgekomen. Zij zijn in afwachting van een beslissing of ze op medische gronden tijdelijk of voor onbepaalde tijd in Nederland mogen blijven. Bajiro staat onder psychiatrische behandeling, want hij hoort stemmen in zijn hoofd. Die stemmen komen uit Sarajevo en zeggen dat hij niets voorstelt, dat hij maar beter dood kan zijn. Soms worden die stemmen zo sterk dat hij er gehoor aan moet geven. Hij heeft vier keer geprobeerd zichzelf van het leven te beroven. De laatste keer dat hij dat deed was in Crailoo. Zijn zoon Embra van vier trof hem achter de woning aan met een glasscherf en een bloedende onderarm. Het kind sloeg zijn arm om de schouder van zijn vader, wierp het stuk glas een eind weg en zei: "Kom maar, papa."
Het verhaal
De meeste IND-medewerkers zijn enigszins cynisch geworden, een beroepsafwijking. Dat
cynisme is te begrijpen, want er wordt wat afgelogen in de wereld van de
vluchtelingenopvang. Vaak herkennen ze na drie zinnen een standaardverhaal, en uit welk
land dat verhaal afkomstig is. Overigens behoort ook de journalist een gezonde dosis
wantrouwen in zijn bagage te hebben. Het verhaal van Bajiro is op sommige punten niet
geverifieerd. Maar de man is geen acteur. En ook geen fantast. Bepaalde details verzin je
niet.
Maar het gaat hier welbeschouwd eigenlijk niet eens over het waarheidsgehalte. We zien zeven mensen die vlakbij ons in afzondering een troosteloos en perspectiefloos bestaan leiden. Bajiro heeft flink zijn best gedaan en al zijn geld uitgegeven om hier te komen. Eenmaal hier komen van alle kanten regels op hem af. Een wirwar van voorzieningen, plichten, noodopvang, beroepsprocedures, medische verklaringen en uitvoerende instanties. Omdat het alle deelnemende groeperingen naar de zin moest worden gemaakt, zijn die regels onderling soms tegenstrijdig. De ene instantie probeert je het land uit te krijgen, de andere probeert je verblijf te verlengen. Terwijl je niet mag integreren, integreren je kinderen.
De roep om eenvoudiger regels en een snellere uitvoering daarvan is groot. Maar hoe breng je tot staan wat een tovenaarsleerling op gang heeft gebracht? Elke minister op werkbezoek zou hier de hand over het hart strijken. Als hem dat al wordt toegestaan.
Foto's: Daimon Xanthopoulos
Tekst: Jan de Zeeuw, 24 maart 2003